Hoe te praten over politiek?
door Guido Jansen

Vrijdag 20 mei vond het City Symposium plaats over Aesthetics, Activism & the City als onderdeel van de SPRING Academy. En ik ben gevraagd om hier een blog over te schrijven. Maar waar te beginnen? De afgelopen dagen heb ik met veel moeite nagedacht over welke invalshoek ik voor het symposium moet gebruiken. Met verschillende mensen heb ik mijn worsteling besproken.

Zo kwam ik dezelfde dag nog een collega tegen. Met haar kon ik een deel van mijn worsteling benoemen. Hoewel het onderwerp van het symposium esthetiek, activisme en de stad was, heeft vooral de politieke aard van kunst de boventoon gevoerd. Misschien ook wel vanwege de theoretische inleiding die Timotheus Vermeulen gaf, waarin hij inging op verschillende verhoudingen tussen kunst en politiek. Juist daarover schrijven vind ik zo lastig. Het is zo’n grote kwestie, waar te beginnen? En bovendien, wie ben ik om hier iets over te zeggen, als – zoals Vermeulen illustreerde – filosofen en wetenschappers hier al veel scherpere analyses over hebben gedeeld?

Maar betekent dit dan ook dat we het hier niet over moeten hebben? Zijn de uitspraken die we doen dan al gedaan? Ik weet het niet. We hebben elke keer wanneer we dit onderwerp aanhalen weer te maken met een nieuwe context. En in deze context kan er een nieuw licht geworpen worden op het onderwerp, een licht dat de voorgaande filosofen niet hebben geschenen op onze situatie. Dat moeten we toch zelf doen. De sprekers deden dit door te vertellen vanuit hun eigen werk (Ahmed El Attar en Dries Verhoeven) of vanuit hun instelling (Ying Que en Ine Gevers). Wat opviel aan het symposium is dat hun verhalen niet samen kwamen. De sprekers werden weinig in relatie tot elkaar besproken, waardoor er bijna geen nieuw licht werd geschenen op de politieke aard van kunst.

Wat is dan een goede vorm om dit onderwerp te bespreken? Met deelnemers aan het SPRING Intensive programma heb ik tijdens een lunch in Het Huis hierover nagedacht. De nadruk tijdens dit gesprek lag vooral op hoe een dergelijk symposium ingezet kan worden om in dialoog met elkaar te gaan. Er zijn verschillende ‘partijen’ waarmee het gesprek gestart zou kunnen worden. Uiteraard de sprekers onderling, waarvan ik opmerkte dat dat nog wat achterwege bleef. Maar de sprekers kunnen ook in gesprek gaan met het publiek (of andersom).

Hoe nodig je mensen uit tot gesprek? Hoe organiseer je de relatie tussen deze twee groepen? Deze vragen kwamen naar boven omdat we observeerden dat het grote publiek, in de stijloplopende tribune, door deze opstelling afgescheiden werd van wat op de vloer plaatsvond. De moderator nodigde het publiek wel uit om zich te mengen in het gesprek, maar de opstelling lijkt zich hier niet voor te lenen. Wat zijn hier alternatieven voor?

Terwijl we hier over dachten, bracht ik in hoe reëel het is om een daadwerkelijk gesprek op gang te brengen tussen de sprekers en het publiek, wanneer de zaal helemaal vol zit. 184 man versus 6. Is het dan een optie om in kleinere groepen in gesprek te gaan? Hoe werkt dat logistiek? En is dat dan nog wel een symposium? Misschien is het symposium veel eerder voor voeding bedoeld, een vorm waarmee een onderwerp belicht kan worden dat juist meegenomen kan worden buiten de theaterzaal.

De politieke aard van kunst is een lastig onderwerp. Het gevoel dat bij mij achterbleef na het symposium was dat we nog niet klaar zijn met hierover te praten. Ik merkte spanning en onenigheid (en terughoudendheid) op tijdens het symposium, en ook in de dagen na het symposium blijft dit onderwerp voorbij komen. Maar hoe ga je hierover het gesprek aan? En hoe kan je ervoor proberen te zorgen dat het ook een waardevol gesprek wordt? Eentje die verder gaat dan gefrustreerde uitingen of een respectvol aanhoren? Lijkt me een belangrijke uitdaging om hier een antwoord op te vinden. En een ingewikkelde.